Rijksmonumenten

Blauwe steen

Locatie: Aldegeasterdyk tegenover nummer 30
Rijksmonument nummer 33985

De ‘Blauwe Stien’ werd al aangegeven op de kaart van Christianus Schotanus’ beschrijving van de grietenij Smallingerland uit 1664. Volgens één verhaal zijn de krassen op de kei veroorzaakt door soldaten van bisschop Bernard van Galen (Bommen Berend), die in 1672 deze streken afstroopten. Ook wordt beweerd dat de steen een merkteken was in een stelsel van heidense cultusplaatsen of de laatste rustplaats van ene pater Boudewijn van het klooster Smalle Ee. Waarschijnlijk betreft het een steen, die de grens tussen de dorpsgebieden van Nijega en Oudega markeerde.


Rechthuis

Locatie: Buorren 11
Rijksmonument nummer 33990

In de zestiende en zeventiende eeuw werd door de Grietman van Smallingerland recht gesproken in Smalle Ee en in Oudega. Elke dinsdag kwam de grietman, de ene week in Smalle Ee, de andere week in Oudega om recht te spreken. In 1663 werd de rechtspraak in Smalle Ee opgeheven. Vanaf die tijd werd de gemeente Smallingerland bestuurd vanuit Oudega. Dit duurde tot 1816. Vanaf 1811 tot 1816 had de gemeente weer twee rechtskamers, één in Oudega en één in Drachten. In januari 1796 is er een stemming geweest om de rechtskamer “tot gerief en dienste der meeste ingezetenen” te verplaatsen van Oudega naar Noorder- of Zuider-Dragten. Dat de uitslag ten nadele van Oudega zou uitvallen lag voor de hand, het inwonertal van Oudega was meer dan de helft kleiner dan dat van Dragten. Vanaf 1816 vond de rechtspraak dan ook officieel plaats in Dragten. Er was alleen een klein probleem, Dragten had geen geschikte locatie, deze werd gevonden in Opeinde in herberg ‘De Hoop’. Tot de bouw van het nieuwe gemeentehuis in Drachten gereed was in 1826 bleef men in Opeinde rechtspreken.

Op 17 mei 1738 woedde er een grote brand in Oudega, op die dag werden zeven panden volledig in de as gelegd. Het betrof vijf op één rij staande huizen met op korte afstand daarvan nog twee huizen met schuurgedeelte.

De brand woedde in het centrum van Oudega, en heeft onder andere het oude rechthuis in de as gelegd. De oorzaak van de brand is tot op heden nooit achterhaald. Na de brand in 1738 werd later dat jaar al begonnen met de herbouw. De toenmalige eigenaren, Foocke Wytzes en Ebeltje Meinderts, hebben in de gevelsteen van Vrouwe Justitia hun initialen laten beitelen. Dit kunstwerkje mag gerekend worden tot de eerste rococo-scheppingen in Nederland. Het is vervaardigd door een in Oudega geboren jongeman, Kornelis Kooystra, pleegkind van Foocke en Ebeltsje.

Wytze Alles erfde de herberg van zijn oom en tante in 1756. Zij hadden na de grote brand de herberg laten herbouwen. Na zijn dood erfde dochter IJbeltje de herberg en in 1821 werd de herberg verkocht voor 700,00 gulden aan Klaas Tjeerds Gaikema. In 1855 werd Adolf Jans Mulder eigenaar van het pand. Hij is de grootvader van Wietze Mulder die de dorpsherberg tot 1952 runde. Het pand is dan bijna 100 jaar familiebezit. De Mulders waren boer, caféhouder en bakker. Het waren de laatsten die met paard en boordwagen venten. In 1963 is de oude schuur afgebroken. Franke van der Meer was de volgende eigenaar, en verkocht de herberg tien jaar later aan zijn neef Romke van der Meer. Wanneer Johan de Groot in 1978 het pand koopt is het niet alleen café [in de achterzaal], maar ook uitzendbureau. Hij verkocht de herberg in 1983 aan Bart Friso, de familie Friso runde een nijverheidswinkel annex expositieruimte ‘de Santepetyk’ aan de voorzijde. Hiermee kwam een eind aan meer dan 300 jaar dorpsherberg en werd het pand woonhuis. In 1993 zijn de voor- en zijgevel vernieuwd en in oude stijl gebracht.

De huidige eigenaren kochten het pand in 1996 waarmee het pand de publieke functie die het honderden jaren had bekleed verloor.


Kop-rompboerderij, bijschuur en stookhok

Locatie: Opperbuorren West 1
Rijksmonument nummer 506243506976506978

Midden-19e-eeuwse [1856] kop-rompboerderij met zijlangsdeel en grupstal, hoofdzakelijk opgetrokken uit gele Friese steen; de kop onder rietgedekt zadeldak met topschoorsteen, de schuur met dekbalkgebint onder iets hoger rietgedekt even afgewolfd schilddak met uilenborden met opengewerkte makelaar [zwanen]; 1½-steens rollaag langs de geveltop; staafankers. De gedeeltelijk onderkelderde [jongere] kop is uitgerust met twee lichtgetoogde zesruitsramen en twee rechtgesloten zesruitsramen in de voorgevel, een zesruitsraam in de linkerzijgevel met

1-steens rollagen; in de rechterzijgevel een rechtgesloten zesruitsraam en een keldervenster met diefijzers.

Het terugspringende gedeelte, waarin thans de moderne keuken is ondergebracht, is uitgerust met een lichtgetoogd zesruitsraam, een [niet oorspronkelijke] deur in lichtgetoogd kozijn met bovenlicht in de voorgevel en een rechtgesloten vierruitsraam in de linkerzijgevel. Het schuurgedeelte is uitgerust met lichtgetoogde [aan de binnenzijde blauw geschilderde] drieruitsstalvensters met diefijzer in de linkerzijgevel en opgeklampte deeldeuren en twee rechtgesloten vierruitsramen in de rechterzijgevel; in de achtergevel dubbele opgeklampte deeldeuren, een rechtgesloten vierruitsraam en een opgeklampte staldeur met half melkmeisje; tegen de muur een houten kippenladder. In het interieur zijn onder meer van belang in de kop het balkenplafond, de eenvoudig geprofileerde houten schouw met aan weerszijden een pijpenkastje, de eenvoudige driedelige houten kasten en bedstedenwand met eenvoudig geprofileerde rand bovenlangs, het [gedeeltelijk vernieuwde houtbeschot], de opgeklampte deuren; in het stalgedeelte de drie grenen dekbalkgebinten met ronde staanders op stenen poeren, de lemen deel- en tasvloer, de bestrating van rode en gele baksteen, de koestal, de paardenboxen met houtbeschot en houten ruif.

Bijschuur
Haaks tegen de Noordoostelijke hoek van de boerderij aangebouwde kleine bijschuur, vermoedelijk ook daterend van omstreeks 1856 doch na 1918 verleng en met kleine steunberen versterkt. Gebouw op rechthoekige plattegrond, opgetrokken uit gele baksteen en gedekt door een rieten afgewolfd schilddak met uilenborden [zwanen]; windveren. In de westelijke kopgevel een opgeklampde staldeur, in de noordgevel vierkante stalramen; in de zuidelijke topgevel een rond raam met gietijzeren tracering en een [niet-oorspronkelijke] deur in oud kozijn met drieruits zijlicht; ernaast rond venster met gietijzeren tracering.

Stookhok
Opgetrokken na 1918 uit rode strengparssteen en gedekt door een met blauw geglazuurde gegolfde Friese pannen belegd zadeldak met windveren. In het geheel oorspronkelijke interieur zijn nog aanwezig de met gesmoorde blauwe plavuizen belegde vloer en het rookgat met boezem.

De boerderij is vanaf 1967 in gebruik als woonboerderij. De huidige eigenaren kochten de boerderij in 2017 en hebben deze volledig gerestaureerd met behoud van de authentieke elementen. Het woongedeelte is volledig gemoderniseerd en volledig gasloos en energie-neutraal gemaakt.


Pastorie ‘Kerckebosch’

Locatie: Buorren 7
Rijksmonument nummer 499306

De voormalige pastorie met een Jugendstil-gevel stond bekend onder de naam ‘de Weme’[1]. Er hebben twee oudere pastorieën op deze plek gestaan. Bekende bewoners waren o.a. ds. A.J. Lieuwens [van 1839 tot 1900] en ds. Carsjens [van 1910 tot 1948]. De laatste predikant die in de pastorie woonde was ds. Hilco Alkema. In 1971 verkocht de Hervormde Kerk de pastorie aan Johan de Groot uit Drachten en verloor het de functie van pastorie.

Ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan werd de voormalige pastorie op 18 september 1993 open gesteld voor belangstellenden. Een belangrijk onderdeel van het programma was de onthulling van de nieuwe naam door de vrouw van burgemeester Pieter van der Zaag. Na een zorgvuldige afweging was de keuze van de bewoner [J.K. van Til] gevallen op ‘Kerckebosch’. In die naam wordt zowel verwezen naar de vroegere bestemming van het pand als naar de boomrijke omgeving.

[1] Weme is Fries voor woning van pastoor of predikant en stamt af van het oud Friese woord ‘Wathem’ wat gewijde grond betekent

De in 1743 gebouwde pastorie heeft waarschijnlijk op dezelfde plaats een middeleeuwse voorganger gehad; hierover is weinig bekend. Behalve de brand in 1515 heeft er in Oudega ook een grote brand gewoed in 1738 waarbij meerdere panden vanaf de kerk tot voorbij het rechthuis zijn afgebrand. Onder de oorspronkelijke plavuizen van de voormalige kelder van de pastorie treffen we nu nog brandresten aan. Mogelijk is de pastorie toen ook door brand verwoest en pas in 1743 weer herbouwd.

De officiële aanbesteding van de pastorie vond plaats begin april 1743. Lolle Tjebbes werd de hoofdaannemer. Er werd met hem een akkoord gemaakt voor een betaling van 1700 car.gld. Bij afrekening later bleek dat er een post voor meerwerk was want 11 dec. 1743 brengt Lolle Tjebbes 2 posten voor buitenwerk in rekening, totaal 142-12-4 car.gld. Met de betaling van deze posten was het huis nog niet klaar. Er kwamen nog verschillende posten van verschillende onderaannemers bij. Zo bracht Pieter Hendriks, de vaste timmerman van de kerk, nog verschillende materialen en arbeidsuren in rekening. Deze zijn niet gespecificeerd maar een onderdeel van een totaal rekening van werkzaamheden aan de kerk, de school en de pastorie. Verder komen we rekeningen tegen voor loodgieterswerk, een nieuwe pomp, glazenzetterswerk en schilderwerk. Jan Cramer levert 550 estrikken waarbij het leggen van de estrikken apart wordt betaald. Op 29 november 1743 krijgt T.H. Steel een bedrag voor het ‘bekleeden’ [=betimmeren] van de studeerkamer. Hij zal wel een specialist geweest zijn op dit gebied. Tot 1910 was de kamer aan de voorzijde, op de eerste etage, in gebruik als studeerkamer.

De uitgaven gaan overigens nog door tot juni 1744. De tuin vroeg ook in die tijd al de nodige aandacht, de grachten rond de pastorie werden gesloten er wordt op 31 dec. 1743 uitbetaald aan Sytse Heynes en Teye Alles wegens ‘opbrengen der Eerdwallen en om hacken van de Pastorije hovinghe’. In de pastorie werd nog geschilderd maar het houtwerk en de muren moesten goed droog zijn [tot in de jaren 1930 was het een goed gebruik dat het binnenschilderwerk eerst na één stookseizoen werd afgemaakt, de krimpnaden werden dan weggewerkt en het behang kon op de muren worden aangebracht]. Op 27 maart 1744 krijgt Gosse Pier betaald ‘het gebloemde behang’ dat speciaal geleverd werd door Nicolaus Blankert uit Amsterdam. Er wordt weer grondig schoonmaak gehouden want op 12 mei 1744 ontvangt Romchien Eebes, huisvrouw van JelIe Jeens 7-8-0 car.gld. Aangezien het uurloon van een arbeider circa 12 stuivers per dag bedroeg, heeft Romchien daar zeker 2 á 3 weken werk mee gehad. De nieuwe dominee [ds. Venekamp] zal wel op de verhuisdatum 12 mei 1744 zijn aangekomen. De bestrating en de homeipalen zijn inmiddels aangebracht en Lolle Tjebbes brengt op 23 mei 1744 in rekening 101-9 car.gld. Op 29 juli 1744 dient Comelis Swalve een rekening in wegens geleverde verfstoffen over 1743 en 1744 ten bedrage van ruim 118 car.gld. Alles bij elkaar genomen heeft de bouw van de pastorie destijds circa 2500 car.gld. gekost.
Om een idee te krijgen hoeveel dit is lezen we in 1778 dat voor rekening van de kerk een nieuwe boerderij gebouwd wordt van circa 1000 car.gld. De pastorie kostte dus ongeveer 2½ maal zo veel.

In 1910 is het ingrijpende besluit genomen om in één aanbesteding de pastorie grondig te renoveren, zowel in-als uitwendig en een nieuwe consistorie [het huidige Folksgebou] te bouwen. De architect was B.l. Kloostennan uit Nijega. Van deze gehele operatie is een gedrukt ‘Bestek en Voorwaarden’, een boekje van 22 pagina’s, bewaard gebleven. Ook is de blauwdruk van ‘het plan van vertimmering’ van de pastorie en de nieuwbouw van het Folksgebou nog aanwezig [in het museum te Drachten]. Tot de werkzaamheden van 1910 behoorden ‘het afbreken van de oude leerkamer en het koetshuis’. Het koetshuis stond vlak achter het huis. Er was toen geen keukenraam in de achtergevel, er zou vanwege het koetshuis toch weinig licht binnen gekomen zijn. Achter dit koetshuis bevond zich de leerkamer. Uit oude foto’s [voor 1900] blijkt dat dit toch nog een aardig gebouwtje is geweest van circa 5 bij 10 meter.

Van de oorspronkelijke bouwstijl uit 1743 is niet veel bewaard gebleven. De oorspronkelijke klokgevel is verbouwd tot de huidige trapgevel, die blijkbaar beter paste bij de consequent doorgevoerde Jugendstil bouwstijl. De zo karakteristieke barokke gevelsteen met jaartal 1743 en de beide barokke schilden ter weerzijden van de gevel zijn gelukkig gehandhaafd, hoewel ze niet passen bij de Jugendstil van het begin van onze eeuw.

De verbouwing van de twee zadeldaken met brede kilgoot, die het huis aan de achterzijde zo’n karakteristieke aanblik gaven, vond niet in 1910 plaats maar pas in 1928.
Mevr. A.A. Moulijn-Carsjens, die in 1912 in dit huis geboren is, vertelde dat ze als kinderen vanaf een verhoging op de eerste etage door een luik naar buiten kropen en zo de brede kilgoot als speelplek gebruikten. Bovendien werden de slaapkamers aan de zuidzijde in 1928 vergroot door de achtergevel hoger op te metselen. De huidige aanblik van de achterzijde van het huis, met de stalen ramen [ook aan de westzijde], dateert uit die tijd. Van de vele aanpassingen die door de jaren heen hebben plaatsgevonden mag niet onvermeld blijven het aanbrengen van de eiken betimmering in de beide westelijke kamers. Ds. Carsjens trof zo’n kamer aan bij zijn collega, ds. Meyer te Wijnaldum, waarna hij onverwijld opdracht gaf eenzelfde verfijnde betimmering in zijn pastorie aan te brengen.

De tuin
Het huis, met een lengte en een breedte van 14 meter, is centraal gelegen in de tuin, die een oppervlakte heeft van 3.200 m². De totale lengte is 80 meter en de gemiddelde breedte 40 meter. Door de eeuwen heen waren de pastoors en later de dominees van de Hervormde Gemeenten niet alleen herder en leraar van de kerkelijke gemeente maar tevens beheerder van de pastoriegoederen, waaruit zij hun middelen van bestaan hoofdzakelijk moesten verwerven. Zo ook in Oudega. Tal van boerderijen werden door de pastor verpacht en ook bij de pastoriewoning zelf behoorde een kavel die aansloot bij de huidige tuin.
Volgens opgave van 1843:
‘pleziertuin’ : 12 roeden en 60 ellen [de huidige voortuin]
‘moestuin’: 19 roeden en 80 ellen [huidige achtertuin tot de Fabrykswei west]
‘pastorij-erf’: 4 roeden en 70 ellen [oostzijde van het huis]
‘bouwland’: 49 roeden en 20 ellen [kavel Folksgebou + kavel Fabrykswei 10 + noordelijke deel kavel Fabrykswei 11].

De generaties bewoners hadden blijkbaar nogal uiteenlopende ideeën over de achtertuin. Vanwege de voortdurende veranderingen zijn ook alle ‘bomen op leeftijd’ uit de achtertuin verwijderd. In de tuin bevindt zich een ooievaarsnest en een viertal sarcofagen. Het huidige nest [in 1993] is de opvolger van ‘het ooievaarsnest van Oudega’. Op pagina 592 van de ‘Encyclopedie van het hedendaagse Friesland [1975]’ staat een paginagrote foto van het nest met daarop een ooievaarsfamilie. Op een archieffoto van 1914, ingediend door timmerman J. van Manen, lezen we over een nieuwe 19-voets paal, 5 rongen en 4 uur arbeidsloon [14 cent per uur] voor het ooievaarsnest. Het geheel kost dan fl. 1,68. Wagenmaker D. Kramer van Oudega dient op 31 december 1926 een rekening in voor het maken van een ‘ooyevaarsnest’: fl. 8,–. Dit is vermoedelijk het nest van de voornoemde foto en dat op zoveel ansichtkaarten van Oudega terug te vinden is.
In de achtertuin bevonden zich 4 sarcofagen uit de vroege middeleeuwen. In deze periode waarin ook de kerk gebouwd is [circa 1100] moet Oudega een welvarende plaats zijn geweest.
Dit blijkt uit de allure van de kerk en uit het feit dat men het zich kon permitteren om zulke kostbare, uit zandsteen gehouwen kisten en versierde deksels, aan te schaffen. Deze werden destijds kant en klaar uit Bentheim [Duitsland] aangevoerd. Eén van de deksels bevat een motief met een kromstaf, het andere deksel is waarschijnlijk nog ouder en heeft geometrische figuren.
In de voortuin stond een kist voor een volwassene en in de achtertuin een zeer zeldzaam kinderkistje.
De sarcofagen zijn in 2021 teruggebracht naar de begraafplaats van de Sint Agatha tsjerke.


Sint Agatha tsjerke

Locatie: Buorren 1
Rijksmonument nummer 33989

De eenbeukige kerk uit de 12e eeuw kreeg rond 1250 aan de westzijde een romaanse toren, waarvan de spits in 1888 werd vervangen door een tentdak. De ruimte onder de toren was in de 16e-18e eeuw in gebruik als gevangenis. In de toren hangt een klok uit de 14e eeuw en een klok uit 1949. Het gotische koor is waarschijnlijk uit de 14e eeuw en de koorsluiting uit 1599. In 1717 kreeg de kerk rondboogvensters met gebrandschilderd glas.
In 1875 werden de muren verhoogd. Bij een restauratie in 1921, naar plannen van G.J. Veenstra, krijgt de noordzijde weer een romaanse indeling en wordt een houten tongewelf aangebracht, dat door J.Por wordt voorzien van ornamentranden. In de kerk een preekstoel en een herenbank uit de 17e eeuw en elf rouwborden uit de 18e eeuw. Het orgel uit 1875 is gebouwd door L. van Dam en Zonen en in 1921 uitgebreid door Bakker & Timmenga. Het kerkgebouw is een rijksmonument.

De kerk is gedurende de zomerperiode in het kader van Tjserkepaad open op zaterdag van 13.30  tot 16.30 uur.


Woonhuis

Locatie: Buorren 19
Rijksmonument nummer 33991

Dit pand is vermoedelijk in 1792 gebouwd: een restant van een muuranker geeft dat aan. Het huis is als boerderijtje gebouwd, in een ambachtelijk-traditionele stijl. Maar de agrarische bestemming verloor het al vroeg in de 19e eeuw. Daarna was het geruime tijd een wagenmakerij. Iets geheel anders volgde: een kapperszaak en nog weer later: een kruidenierswinkel. Sinds 1985 is het als woonhuis in gebruik.

Toch heeft het pand dankzij de oude [zij]muren en de dakpannen nog de oorspronkelijke uitstraling.

De in 1988 grondig gerestaureerde voorgevel draagt daar positief aan bij. De hoeketalage is toen verdwenen en de kozijnen zijn vernieuwd. Woning onder zadeldak tegen forse topgevel in combinatie met de vlechtingen, schieters en rollagen boven de gevelopeningen oogt de voorgevel als nieuw, maar ook als oud. De zolderverdieping heeft twee vierruitvensters.